Verwerkingsopdracht
masterclass ‘Curriculum 2032’
Op
dit moment wordt een breed maatschappelijk debat gevoerd over wat voor
onderwijs leerlingen nu nodig hebben om klaar te zijn voor de toekomst (2032).
Om hierover breed na te denken heeft staatssecretaris Dekker een platform
opgericht met mensen uit het onderwijs, de wetenschap en het bedrijfsleven. Dit
platform, dat onder leiding staat van Paul Schnabel, heeft op 1 oktober
zijn hoofdlijnadvies gepresenteerd. Eind van dit jaar zal het platform het
definitieve advies aanbieden aan het kabinet. Het advies heeft naar verwachting
grote impact en doet een beroep op de innovatiekracht van de scholen.
Wat
gaat dit advies veranderen aan de rol van de leraar en aan de rol en inrichting
van de school? Curriculair leiderschap, wat vraagt dat van de leraar en de
schoolleider? Wat betekent het nieuwe curriculum voor de school en voor de
omgeving? Dit zijn de vragen die centraal zullen staan in het debat tussen het
onderwijsveld en Tweede Kamerleden. Op 3 november kregen we de masterclass
van professor Jan van den Akker.
Wat speelt er in onderwijsland?
Er
speelt wat in het nationale kerncurriculum. Maar wat? Ons onderwijssysteem kan
anders en moet ook anders, bijvoorbeeld het onderwijs en het curriculum anders
organiseren, maar of we nu meteen moeten snijden in de kern op basis van wat we
in het land vinden? Je moet wel heel gegronde redenen hebben om zo visionair te
denken in een tijd die we nog niet kennen.
Als
we flexibele, wendbare, creatieve en kritische geesten willen, dan is niet de
eerste optie om kennis uit het curriculum te snijden en te vervangen door
‘nieuwe kennis’. Zou het niet meer gaan om de manier waarop onderwijs wordt
verzorgd, zodat de leerlingen die dat in zich hebben een gedegen fundament aan
kennis verwerven en waarbij de vaardigheden zo zijn ontwikkeld dat ze kritisch,
flexibel en wendbaar genoeg zijn om in een voortdurend veranderende samenleving
mee te kunnen gaan? Of zou het gaan om de wijze waarop het onderwijs al
decennia lang is georganiseerd?
Het
gebouw
In
2032 is het hoogstwaarschijnlijk nog steeds nodig om te begrijpen: hoe
coördinaten werken, geslachtelijke voortplanting plaatsvindt, wat stuwing te
maken heeft met de waterkringloop, wat de poortader is en doet, wat de aanloop
was tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Het is maar een willekeurige
greep uit het rijke kerncurriculum van ons onderwijssysteem.
Welke leerstofonderdelen zouden kunnen verdwijnen omdat ze niet meer nodig zijn om kennis van te nemen in de context van 2032. Wat moeten leerlingen dan kennen en kunnen? Kunnen we dat in 2015 al weten?
Of gaat het niet om basiskennis, maar om de vaardigheden? Zou het niet meer nodig zijn dat leerlingen leren: hoe je kaarten (atlas of internet) kunt interpreteren en gebruiken, oppervlakte, omtrek of inhoud te berekenen, de verzekeringspolis te lezen en de reikwijdte ervan te begrijpen, gedachten op papier te zetten, een ander te overtuigen, iemand te bewegen actie te ondernemen en daarbij rekening te houden met de doelgroep?
Welke leerstofonderdelen zouden kunnen verdwijnen omdat ze niet meer nodig zijn om kennis van te nemen in de context van 2032. Wat moeten leerlingen dan kennen en kunnen? Kunnen we dat in 2015 al weten?
Of gaat het niet om basiskennis, maar om de vaardigheden? Zou het niet meer nodig zijn dat leerlingen leren: hoe je kaarten (atlas of internet) kunt interpreteren en gebruiken, oppervlakte, omtrek of inhoud te berekenen, de verzekeringspolis te lezen en de reikwijdte ervan te begrijpen, gedachten op papier te zetten, een ander te overtuigen, iemand te bewegen actie te ondernemen en daarbij rekening te houden met de doelgroep?
Een doorgaande kennislijn (kerncurriculum) van 4 tot 18 jaar is
gebaseerd op stapeling.
Het begint op de basisschool met de eerste steentjes en in de loop der jaren wordt het fundament gelegd om etages te bouwen en leerlingen leren de trappen te gebruiken. Onderwijs is een kwestie van stapelen, nieuwe kennis koppelen aan bestaande kennis. (voorkennis activeren)
Het begint op de basisschool met de eerste steentjes en in de loop der jaren wordt het fundament gelegd om etages te bouwen en leerlingen leren de trappen te gebruiken. Onderwijs is een kwestie van stapelen, nieuwe kennis koppelen aan bestaande kennis. (voorkennis activeren)
Accenten
in een kerncurriculum kunnen verschuiven in de loop van de tijd, maar met alle
Nederlanders willen praten over wat in dat kerncurriculum gehandhaafd moet
worden is dat de juiste weg? De leerkrachten op één school worden het vaak al
niet eens en nu mag iedereen iets roepen over ons nationale curriculum.
Iedere
leraar kan vertellen dat het fundament dat gelegd zou moeten worden nogal kan
verschillen.
Dit
werd duidelijk in de Masterclass van Peter Teune (15 september 2015,
introductie MLE).
Een
belangrijke vraag binnen onze schoolontwikkeling is de vraag:
"Hoe
ziet de kennisbasis van je vakgebied eruit?" Peter Teune heeft hier
onderzoek naar gedaan en tot de conclusie gekomen dat deze zeer divers is.
Hij gebruikte hiervoor de volgende vragen:
1. Wat is de unieke bijdrage van je vak(gebied)? 2. Wat zijn de
kernconcepten van je vak?
3. Wat zijn de onderliggende concepten? 4. In welke contexten wil je deze
concepten gebruiken?
5. Wat zijn de leerproblemen die samenhangen met dit van Pedagogical
Content Knowledge (PCK)?
6. Wat is vaak aanwezig als voorwetenschappelijke kennis of als
misconcepties (PCK)?
Hoe toets je de verkregen kennis? (kennisbasis)
Door formatieve en summatieve toetsing. Formatieve toetsing is een
doorlopend proces van informatie verzamelen over de leerresultaten, over sterke
en zwakke punten, die de leerkrachten kunnen gebruiken voor feedback bij hun
lesvoorbereiding en naar hun leerlingen toe. Formatieve toetsing wordt
vaak zeer breed toegepast en omvat dan niet-kwantificeerbare informatie uit
vragenlijsten en overleg.
Bij
een summatieve toetsing wordt aan het einde van de opleiding een
cijfer toegekend voor het bereiken van de doelstellingen. Dat hoeft niet
hetzelfde te zijn als een vaardigheidstoetsing. Sterker nog:
een summatieve toets is vaak aan een norm gebonden, een momentopname
of een voortgangstoetsing.
De
kracht van formatieve toetsing is dat het streeft naar beter leren.
De zwakte van formatieve toetsing is inherent aan alle feedback. Dit
veronderstelt zelfsturing, hetgeen vereist dat leerlingen zichzelf leren
sturen, toezien op het eigen leren en manieren ontwikkelen om iets te doen met
feedback.
De
overheid stuurt alleen op ‘output’.
Er
zijn basisscholen waar leerlingen met een heel stevig fundament de school
verlaten, waar soms al de stenen van de eerste verdieping van het vo zijn
neergelegd en er zijn scholen waar dat basisfundament (bij lange na) niet
gehaald wordt.
Op scholen waar gewone leerlingen het basisfundament niet goed wordt onderwezen gaat het niet om het herzien van het kerncurriculum. Het gaat dan om de vraag waarom die minimale doelen niet gehaald zijn, welke dat dan ook zijn, nu en in de toekomst. Dus als niveau een pijnpunt is, is het niet logisch om te schrappen in het leerplan. Het ligt dan in de lijn om de didactische kwaliteiten van leraren te versterken en te onderzoeken hoe we het curriculum beter kunnen stroomlijnen.
Op scholen waar gewone leerlingen het basisfundament niet goed wordt onderwezen gaat het niet om het herzien van het kerncurriculum. Het gaat dan om de vraag waarom die minimale doelen niet gehaald zijn, welke dat dan ook zijn, nu en in de toekomst. Dus als niveau een pijnpunt is, is het niet logisch om te schrappen in het leerplan. Het ligt dan in de lijn om de didactische kwaliteiten van leraren te versterken en te onderzoeken hoe we het curriculum beter kunnen stroomlijnen.
Aanknopingspunten
Er
is heel veel mis in het onderwijs, maar er gaat gelukkig ook heel veel heel erg
goed.
Voor ons kerncurriculum is gekozen omdat het onnoemelijk veel aanknopingspunten biedt om te werken aan de fundamenten die nodig zijn voor de verschillende typen vervolgonderwijs en tegelijkertijd verdiepende activiteiten te organiseren voor leerlingen die meer aan kunnen. Er is een waaier aan mogelijkheden om het onderwijs dynamisch en actueel te laten zijn, de context te verbreden en leerlingen heldere en kritische denkers te laten worden. Programmeertaal (bijvoorbeeld First Lego League/ Mindstorms), of eerder beginnen met Engels kunnen daar deel van uitmaken. Alles begint op de basisschool met de bouwgrond rijp te maken en een gedegen fundament te leggen waar de eerste laag steentjes opgelegd worden; bij de leerlingen die dit kunnen. Denken in verbindingen en integratie is het adagium om ruimte te creëren zodat ook een rijker onderwijsaanbod en het eerder beginnen met Engels mogelijk wordt zonder de onderwijstijd te verlengen. Op onze school ( basisschool De Schalm) bieden we daarom het vak Engels met native speakers aan vanaf groep 1, ingebed in het thema om een betekenisvolle context te realiseren. Daarnaast verbinden we internationaal de kleuters met een school in Malta en de groepen 5 met een school in Indonesië. Leeftijdgenoten ontmoeten elkaar met Engels als verbinding.
Voor ons kerncurriculum is gekozen omdat het onnoemelijk veel aanknopingspunten biedt om te werken aan de fundamenten die nodig zijn voor de verschillende typen vervolgonderwijs en tegelijkertijd verdiepende activiteiten te organiseren voor leerlingen die meer aan kunnen. Er is een waaier aan mogelijkheden om het onderwijs dynamisch en actueel te laten zijn, de context te verbreden en leerlingen heldere en kritische denkers te laten worden. Programmeertaal (bijvoorbeeld First Lego League/ Mindstorms), of eerder beginnen met Engels kunnen daar deel van uitmaken. Alles begint op de basisschool met de bouwgrond rijp te maken en een gedegen fundament te leggen waar de eerste laag steentjes opgelegd worden; bij de leerlingen die dit kunnen. Denken in verbindingen en integratie is het adagium om ruimte te creëren zodat ook een rijker onderwijsaanbod en het eerder beginnen met Engels mogelijk wordt zonder de onderwijstijd te verlengen. Op onze school ( basisschool De Schalm) bieden we daarom het vak Engels met native speakers aan vanaf groep 1, ingebed in het thema om een betekenisvolle context te realiseren. Daarnaast verbinden we internationaal de kleuters met een school in Malta en de groepen 5 met een school in Indonesië. Leeftijdgenoten ontmoeten elkaar met Engels als verbinding.
We
zijn in een overgangsfase aangekomen, wat tegelijkertijd een gezond
spanningsveld oplevert.
Het
hoe en waarom speelt een belangrijke rol, evenals reflectie op eigen handelen,
wie we zijn en vanuit welke leertheorie we handelen.
Het
curriculaire Spinnenweb is actueel:
Het spinnenweb is kwetsbaar, het heeft een
beperkte rekbaarheid.
Denk
aan de kwaliteitscriteria: Relevantie; Consistentie; Praktische
uitvoerbaarheid; Effectiviteit; Schaalbaarheid; Duurzaam.
Eigenaarschap en
talentontwikkeling bij leraren
School
als leer- en ontwerpomgeving voor leraren: Ontwikkelagenda opstellen; Visie op professionaliteit
(in klas, binnen team, naar buitenwereld);
Wat zou basiskennis voor elke leraar moeten zijn (“Curriculaire
bewustzijn” en competenties)?; Welke specialisaties?; Hoe samenwerken en
sturen?;
Welke
faciliteiten (tijd, ruimte, middelen)
Versnelling, indikking, verdieping en herkansing
Onderwijs
2032 zou aangegrepen kunnen worden om gepersonaliseerd leren mogelijk te maken.
Het creëren van zogenaamde ‘fastlanes’, voor leerlingen die sneller door het
basiscurriculum gaan en in de vrije ruimte meer leren dan de basis, werken met
portfolio’s, met keuzemodulen waaronder programmeertalen, vreemde talen,
kunsteducatie, wetenschap en techniek. Terwijl leerlingen in de ‘fastlane’
zitten, kunnen ook leerlingen worden bediend die dreigen te doubleren. De in
gang gezette ontwikkeling van zomerscholen zijn een goede proeftuin om te zien
in hoeverre vaste perioden in het onderwijs gebruikt kunnen worden om
leerlingen herkansingsmogelijkheden te bieden om zittenblijven te voorkomen.
Onderwijs
2032 zou ook aangegrepen kunnen worden om te zien of het mogelijk is de
spreiding van vakken over een jaar, anders te organiseren. Op onze school gaan
we aan de slag met parallelgroep overstijgende activiteiten om zicht te krijgen
op de leerlijnen en de reflectie op het eigen handelen te verdiepen.
Fullan vraagt zich in zijn boek "A new meaning of
educational change (2007)" af wat mensen motiveert om energie te steken in
verbetering en samenwerking? Hij gebruikt daarbij inzichten van Elizabeth
Campbell(2005). Uit haar onderzoek concludeert zij dat bij leerkrachten veelal
sprake is van ongevraagde loyaliteit en groepssolidariteit. Leraren vinden dat
je je niet moet bemoeien met andermans zaken, elkaar niet moet bekritiseren of
hen op hun gedrag aanspreken, zelfs als dat ten koste gaat van het welbevinden
van de leerling. Volgens Fullan heeft dat te maken met motivatie van de
leerkracht. Motivatie wordt gevoed door waardigheid en respect. Mensen die niet
worden gerespecteerd zijn niet gemotiveerd.
Ik ben een voorstander van onderzoekteams op onze
school.
Fullan (2007) is van mening Professional learning communities forums moeten zijn die zorgen voor samenwerking en collectieve reflectie. Volgens Fullan (2007) speelt leiderschap hierin een cruciale rol. Leiderschap moet gericht zijn op het verbeteren van relaties. Als de relaties verbeteren, neemt het vertrouwen toe. Hij citeert daarbij Kanter (2004) die aangeeft dat door samenwerking, naast deskundigheid en initiatief, het vertrouwen wordt vergroot.
Fullan (2007) is van mening Professional learning communities forums moeten zijn die zorgen voor samenwerking en collectieve reflectie. Volgens Fullan (2007) speelt leiderschap hierin een cruciale rol. Leiderschap moet gericht zijn op het verbeteren van relaties. Als de relaties verbeteren, neemt het vertrouwen toe. Hij citeert daarbij Kanter (2004) die aangeeft dat door samenwerking, naast deskundigheid en initiatief, het vertrouwen wordt vergroot.
Volgens Fullan (2007) is de belangrijkste factor op school de individuele leraar en die leraren verschillen van klas tot klas binnen een school. De prestaties van de leerlingen hangen af van de effectiviteit van de leraar. Hij vindt dat scholen zich moeten richten op het reduceren van slecht lesgeven, zodanig dat het verschil in het lesgeven op een school vermindert. Volgens hem helpen professional learning communities (PLC’s) binnen scholen daarbij, waarbij de mogelijkheid wordt gecreëerd elkaars lesgeven te observeren en door middel van samenwerking, met de directie verbeteringen ontstaan. Hierdoor neemt de doorgaande lijn in het lesgeven en de kwaliteit toe in de hele school, waarvan alle leerlingen profiteren. Hoe meer je samenwerkt, des te groter gedeelde betekenisvorming en daardoor betere relaties ontstaan.
Het hoe en herschikking
Onderwijsherziening
gaat dus meer om het ‘hoe’ en ‘herschikking’ van de mogelijkheden in het
systeem.
Mogelijkheden op scholen verschillen sterk. De organisatie van het onderwijs veranderen tijdens de rit is geen gemakkelijke opgave en wordt bemoeilijkt door de populatie die wordt bediend, de randvoorwaarden op een school en de samenstelling van het team. Niet alle leraren zijn zo wendbaar en bekwaam als gesuggereerd wordt. Ook zijn leraren (soms door omstandigheden) niet zo creatief en enthousiast als we zouden willen. Er is nauwelijks tijd om lessen goed voor te bereiden en er is een ervaren werkdrukbelasting.
Mogelijkheden op scholen verschillen sterk. De organisatie van het onderwijs veranderen tijdens de rit is geen gemakkelijke opgave en wordt bemoeilijkt door de populatie die wordt bediend, de randvoorwaarden op een school en de samenstelling van het team. Niet alle leraren zijn zo wendbaar en bekwaam als gesuggereerd wordt. Ook zijn leraren (soms door omstandigheden) niet zo creatief en enthousiast als we zouden willen. Er is nauwelijks tijd om lessen goed voor te bereiden en er is een ervaren werkdrukbelasting.
Wie bepaalt?
Nederland
kent veel meer meningen over een kerncurriculum van 4 tot 18 jaar voor de
komende 20 jaar dan nu gehoord/gelezen worden op internet. In het filmpje op
You Tube werd aan docenten, ouders, kinderen en bazen gevraagd mee te denken.
Was de onderwijsadviseur bewust in het rijtje weggelaten, of mag deze expert
met helicopterview Paul Schnabel helpen bij het orde scheppen in de berg met
ideeën?
Mijn voorkeur
Mijn
voorkeur gaat uit van een herziening van een nationaal curriculum als deze bij
voorkeur is gecentraliseerd en de scholen net als nu de ruimte houden om
accenten te leggen en een eigen signatuur aan het curriculum te geven. Je zou
in verhoudingen kunnen denken, 60% bepaalt de overheid met een nationaal
basiscurriculum, 40% is aan de school (of 70-30, 80-20).
Hierbij
moet de discussie gevoerd worden wat de beleidsruimte wordt om betekenisvolle
contexten in te bouwen binnen een rijk onderwijsaanbod en deze naast summatieve
toetsing ook formatief te mogen toetsen. Hier liggen kansen voor eigenaarschap
en talentontwikkeling bij leraren.
Mijn advies:
Bepaal
de basis: "Hoe ziet de kennisbasis (60%) van het nationaal basiscurriculum
eruit?”
Bepaal
de beleidsruimte (40%): Geef modellen van beleidsruimte om betekenisvolle
contexten in te bouwen binnen een rijk onderwijsaanbod en deze naast summatieve
toetsing ook formatief te mogen toetsen.
Geef
nascholing aan leerkrachten om te leren reflecteren en effectieve feedback te
geven (feedup/feedback/feedforward). Maak de koppeling met het direct
instructiemodel, zodat ze in staat worden gesteld om formatief te kunnen
toetsen. Volgens Hattie en Timperley (2007) is effectieve feedback een van de
meest krachtige invloeden op het leren.
Hattie
en Timperley (2007) Als feedback wordt gecombineerd met effectieve instructie,
kan dit het leren verbeteren.
Start
met het opzetten van vindplaatsen en makelaarschap om via modellering verandering
van mentale modellen bij leerkrachten en directieleden te bewerkstelligen (Pitch 073, SSPOH).
Hier
liggen kansen voor eigenaarschap en talentontwikkeling bij leraren en leerlingen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten